Op 30 maart 2006 heeft de Kamer der Volksvertegenwoordigers het wetsontwerp van minister van Justitie Onkelincx goedgekeurd dat het principe van beurtelingse huisvesting invoert, tenzij de ouders anders overeenkomen en tenzij de rechter het (in welomschreven gevallen) in tegenstrijd vindt met het belang van het kind.

Feministische organisaties zijn fel tegen het wetsontwerp gekant: we begrijpen hun frustratie, want het wetsontwerp maakt een einde aan het principe dat de kinderen na de scheiding het best bij de moeder gaan wonen. Volgens BGMK, heeft Vrouw & Maatschappij (een lobbygroep van de CD&V) voldoende senatoren gemobiliseerd om hun evocatierecht in te roepen. Niettegenstaande het wetsontwerp in de Kamer goedgekeurd werd 90 stemmen voor, 36 onthoudingen en geen tegenstemmen moet het wetsontwerp nu nog eens door de Senaat besproken worden.

De invoering van beurtelingse huisvesting zal dus enkele maanden vertraging oplopen: de onderzoekstermijn in de Senaat duurt immers tot 26 juni 2006, en wellicht zullen enkele senatoren van Vrouw & Maatschappij dan een konijn uit hun hoge hoed toveren zodat de stemming pas na de grote vakantie zal kunnen gebeuren.

In 1995 werd via artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek bepaald dat het ouderlijk gezag na een scheiding aan beide ouders toegekend wordt. Bijna alle rechters hebben dit principe sindsdien naast zich neergelegd en steeds gevonnist in het nadeel van vaders. Dit nieuwe wetsontwerp verplicht rechters niet om voortaan in het voordeel van vaders te vonnissen: het bepaalt enkel dat vaders en moeders gelijkwaardig zijn en gelijke rechten hebben, ook wat de concrete uitoefening het ouderlijk gezag betreft.