Aalst. De dienst Leefmilieu wil je terug laten kennismaken met de mooie stukjes natuur in je buurt. In 1995 gingen ze van start met het project ‘Natuur in je buurt’. Er worden nieuwe natuurwandelingen uitgestippeld waarin speciaal aandacht besteed wordt aan de kleinere stukjes natuur buiten de gekende reservaten.

Elk jaar, op een zondag in oktober, wordt er in een ander deel van onze stad een nieuw traject officieel onder begeleiding van natuurgidsen ingewandeld. Wie achteraf op eigen houtje de wandeling wil (over)doen, kan dat aan de hand van onderstaande tekst (ook verkrijgbaar als folder). Hierin staat de route en wordt er een toelichting gegeven bij enkele natuurelementen onderweg. Na meer dan 10 jaar werd in alle Aalsterse deelgemeenten een nieuwe wandeling uitgestippeld. Inmiddels verkennen we delen van Aalst, samen met een stukje van onze buurgemeenten. Als je op je tocht zou ontdekken dat de tekst niet meer zou kloppen of dat paden onbegaanbaar zouden zijn, laat het ons dan weten.

We vertrekken aan de kerk van Herdersem.

De Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaartkerk is een neoclassicistisch getinte kerk die gebouwd werd gedurende de periode 1859-1861. Haar ligging midden in de huizenrij langsheen de Grote Baan maakt van Herdersem een straatdorp waar de centrumfucties gegroepeerd zijn langsheen het lint van de hoofdbaan.

Links van de kerk gaan we de H.Moensstraat in. Aan het kruispunt met de Oude Pastorijwegel gaan we rechtdoor.

Aan de linkerkant staan een aantal Taxussen. Taxus baccata of venijnboom is een winterharde, altijdgroene boom die ouder kan worden dan enige andere Europese soort. De soort verdraagt goed het snoeien en dat maakt hem geliefd als haagplant. Wegens zijn altijdgroene voorkomen en zijn lange levensduur roept de boom sinds mensenheugenis een gevoel van onsterfelijkheid op. Als symbool van eeuwig leven werd en wordt de Taxus nogal eens aangeplant op kerkhoven. Maar de venijnboom speelt ook een meer directe rol in de dualiteit tussen leven en dood. Hij kan namelijk rechtstreeks en fataal ingrijpen ingevolge zijn hoge toxiciteit. Het woord “toxine” en al zijn afgeleiden vinden hun oorsprong in Taxus. Alle delen van de boom zijn giftig, behalve het vruchtvlees dat zelfs vlezig en zoet is en wegens zijn aangename smaak best te eten valt. Maar de pit is wel giftig!

Aan de rechter kant ligt een driehoekig grasplein, beplant met diverse bomen en struiken. Het is het voormalige kerkhof. In de verste hoek van het plein staat een kapel. Het is de sacristie van de voormalige kerk. De eerste bevestiging van een eigen kerk te Herdersem dagtekent van 1119. Ze werd na haar verwoesting door de beeldenstormers in 1601 heropgebouwd. Bouwvalligheid en gebrek aan ruimte waren er de oorzaak van dat de oude kerk -behalve de sacristie van 1782-1784- werd afgebroken in 1861. De nieuwe kerk werd langs de steenweg (Grote Baan) gebouwd en ingewijd in 1862. Door de bouw van de nieuwe kerk langs de steenweg, is Herdersem van een ronde dorpsvorm overgegaan naar een typisch straatdorp. Opvallend was vroeger de ligging van verscheidene dorpscentra zoals Herdersem, Wieze en Denderbelle. Ze vertoonden een identieke dorpsvorming: een kerkstraat die het dorpscentrum met de baan verbindt, loopt in een halve kring rond de kerk, om nadien op een verder afgelegen plaats de baan Aalst-Dendermonde te bereiken.
De ligging van de oude kerk van Herdersem was goed uitgekiend, nl. in de nabijheid van de Dender, op het hoogste punt van de omgeving (ongeveer 10 m) en zo dicht mogelijk bij de bochten van de rivier. Een lange strook natte meersen scheidde haar van de Dender. Aan de andere zijde van de dorpskom lagen de kouters en de velden. De meersen verwijzen naar veeteelt en de kouters en velden naar landbouw.

We komen in de Alfons De Cockstraat. Deze straat werd dus vroeger Kerkstraat genoemd en herdoopt tot zijn huidige naam in 1950 ter gelegenheid van de 100e verjaardag van de geboorte van Alfons De Cock. We steken de straat over en gaan tot aan het standbeeld van Alfons De Cock (1850-1921). A. De Cock werd algemeen erkend als de grondlegger van de wetenschappelijke folklore of volkskunde in Vlaanderen. Hij werd geboren te Herdersem. Hij verdeelde zijn vrije tijd over lectuur, volkskunde, muziek, opzoekingen en speuren naar wilde planten en bloemen in het Denderland. Vier linden in de nabijheid verhogen het eerbetoon aan deze dorpsgenoot. Meestal liggen er verdorde vruchtjes op de grond. Lindebomen maken rijkgeurende, geelgroene bloesems met een vlezig schutblad. Als de bloemen verwelkt zijn en de kleine zaadkapsels rijpen, vallen de gele trossen samen met het schutblad af. Thee van lindebloesems drinkt men tegen griep, koorts, bronchitis, nierverslijming en om goed te kunnen slapen. Sommige linden worden vaak aangetast door bladluizen. Zij produceren honingdauw die neerdruipt op alles wat zich er onder bevindt. Op zijn beurt kan de honingdauw gekoloniseerd worden door een zwam die hem zwart kleurt. Dat alles maakt de linde niet zo geschikt voor het aanplanten op parkeerplaatsen en pleinen. De aanplant van lindebomen op markt- en kerkpleinen werd in het bijzonder gestimuleerd door Karel de Grote (742-814). Vanaf de 16e eeuw werd de boom aangeplant op de voorpleinen van middeleeuwse kastelen. Destijds werden linden vaak gesnoeid. Met het snoeihout stookten bakkers hun ovens en mandenvlechters gebruikten het als korfhout. Van de fijngeslagen lindebast maakte men touwen. De treksterkte van de fijngeslagen weefsellagen is gelijk aan die van staal.

We gaan naar links en slaan na een tiental meter rechts de Hof ter Hammestraat in. Ook de Faluintjes- fietsroute volgt deze weg. Hier situeert zich een brok geschiedenis waar we even later op ingaan. De bolle kasseibaan slingert zich een weg doorheen het Denderland van Herdersem. Ter hoogte van twee bakstenen muurtjes steken we de beek over die hier en verder in haar benedenloop Oude Dender wordt genoemd. Ter hoogte van het linker muurtje staat een vlier. In mei en juni is de struik getooid met vlakke, geurige,  roomkleurige bloemtuilen. In de geneeskunde wordt een aftreksel van de bloem gebruikt bij verkoudheden en als urine- en zweetafdrijvend middel. In de keuken worden de vlierbloemen gebruikt om een fijne smaak te geven aan gebak. In de herfst wegen zijn takken zwaar van de donkere bessentrossen. Van deze bessen wordt vlierbessensiroop bereid als hoestdrank en een smakelijke jam die rijk is aan vitamine C. De bessen worden gezocht door veel zangvogels, vooral tijdens hun trek naar het zuiden. De grijsbruine takken zijn bedekt met wratjes. Ze verspreiden een slechte reuk die de vliegen op afstand houdt. Van de bladeren werd vroeger een insecticide gemaakt.
Eveneens aan de linkerkant staan 3 mooie knotwilgen aan de weiderand. In en om knotwilgen ontstaat een speciale levensgemeenschap. We treffen er zowel planten, insecten, vogels als zoogdieren aan. Een typische knotwilgenbewoner is het steenuiltje. Op natte percelen dragen wilgen bij tot de ontwatering. Knotwilgen spelen ook een belangrijke rol als windscherm wanneer zij als lijnelement aangeplant zijn.

Doorheen de weide waar de knotwilgen aan palen ligt een collector (aanlegperiode 1999-2000), parallel met de beek. Deze verzamelriool moet een deel van het afvalwater van Herdersem, Moorsel, Baardegem en Wieze voeren naar het waterzuiveringsstation dat op grondgebied Hofstade ligt, aan de linker Denderoever. Deze collector zal uiteindelijk 7118 i.e.(inwoner equivalenten) aan afvalwater afvoeren. De omgeving van de Aartstraat, de Afons De Cockstraat en een groot deel van de Grote Baan zullen aangesloten worden. De aanleg van een collector is een ingreep in een landschap die met de nodige omzichtigheid moet gepaard gaan. Het is belangrijk dat zo weinig mogelijk hoogstammige bomen moeten sneuvelen. Op de strook waaronder de collector ligt mogen in principe geen hoogstammige bomen meer geplant worden. Wanneer een collector doorheen een natuurgebied wordt aangelegd moet er allereerst een milieueffectrapport opgesteld worden. De collector Herdersem-Wieze bevindt zich volgens het gewestplan grotendeels in landschappelijk waardevol landbouwgebied en niet in natuurgebied.

Aan de rechter kant van de weg staat in de berm een rij jonge elzen. Een els is een bescheiden boom. Zijn vruchten lijken op kleine denneappeltjes. Sijsjes hangen in de winter vaak als acrobaten aan de takken om de zaadjes uit de vruchtjes te peuteren. De els is een van onze grootste waterliefhebbers. Je vindt hem van nature vaak aan waterkanten en op moerassige plaatsen. Zijn hele ontwikkeling en voortplanting lijken afhankelijk te zijn van water. De zaadjes zijn uitgerust met luchtdichte holten zodat ze zonder zorgen op een plas of een beek kunnen drijven. Ze kunnen zelfs een hele winter in het water liggen zonder te rotten. Een olielaagje houdt ze droog. Met een beetje geluk drijven ze naar de kant. In de lente ontkiemen ze dan in de slijkerige bodem van de oever. Elzehout is niet zoveel waard. Het is licht, zacht en elastisch. Daardoor breekt het vlug. Onder water wordt het hout zo hard als steen. Het is dus ideaal voor waterbouw.

Voorbij de alleenstaande woning draaien we met de hoofdbaan mee naar links. We nemen dus niet de veldbaan die rechtdoor loopt. In de richting van deze veldweg, tussen de Hof ter Hammestraat en de Dender, hadden de heren van Herdersem in de 13e eeuw een kasteel, genaamd “Ter Bruggen”. Het was met de oude kerk verbonden door een dreef. Het kasteel werd verwoest door de Fransen in 1667.

We krijgen nu voluit zicht op het weidelandschap in de Dendervallei. De Dender loopt ongeveer parallel aan de hoogspanningslijn. Het Denderland van Herdersem is die kant van het dorp waar je nog kan verwijlen, weg van de drukte en de bebouwing. Het landschap wordt er gekenmerkt door grasland, verspreide populierenbosjes en af en toe populieren of knotwilgen op een rij. Ter hoogte van het eerste bosje aan de linker zijde staat een gedenkplaat die een herinnering oproept aan het Galgeveld, eertijds behorend aan de heren van Herdersem. Het galgepleintje, dat dienst deed als executieplaats, is het enige wat nog getuigt van de vroegere machthebbers. Achter het monument is een groepje streekeigen groen aangeplant. Aan de straatkant valt deSpaanse aak op. Het is een soort esdoorn met een opvallend klein blad. Op het achterplan bewonderen we in de zomer en de herfst de oranje-rode bessentrossen van de Gelderse roos. Deze bessen bevatten een steenkern die zo bitter is als gal. Daardoor worden ze door de meeste vogels versmaad en blijven ze in de winter vaak hangen. Na bevroren te zijn geweest, worden ze wel door lijsters gegeten.
De bermen van de Hof ter Hammestraat worden, zoals de meeste bermen van Aalst, gemaaid met afvoer van het maaisel. Hierdoor wordt de soortenrijkdom verhoogd. In het plantenrijk geldt immers volgende gulden regel: “Hoe armer een grond aan voedsel, hoe meer verschillende plantensoorten er groeien”.

Ter hoogte van het kapelletje slingert de kasseibaan naar links. Als je achter het kapelletje in de richting van de Dender kijkt, kan je trachten om je in gedachten voor te stellen dat zich in deze omgeving nog een vroeger kasteel verhief dan het eerder genoemde van de heren van Herdersem. Dat kasteel was reeds bekend in de eerste helft van de 7e eeuw onder de benaming van Ham of ten Hamme. De huidige naam Hammestraat is hieraan ontleend. Ham betekent weide of land in de kromming van een waterloop. De Hammestraat moet van de 7e tot de 17e eeuw een uiterst belangrijke straat geweest zijn. De geschiedschrijvers zijn het niet eens over de ware ligging van het kasteel. Het stond vermoedelijk op de plaats “Wijnbocht”, nu gelegen aan de overkant van de Dender op grondgebied Hofstade, op een plaats binnen een oude Dendermeander die eertijds grondgebied Herdersem was. Het kasteel diende in de eerste helft van de 7e eeuw tot verblijf van graaf Witger, de vader van de heilige Gudula (644-712), patroonheilige van Herdersem. Het kasteel werd waarschijnlijk verwoest door de Noormannen. Dat graaf Witger zich hier vestigde moet wel een bijzondere reden hebben gehad. De plaats bood in het toenmalige Frankische rijk een ideale uitvalsbasis voor schepen langs de Dender en verder langs de Schelde.
De heilige Gudula drukte haar stempel op het verleden van Herdersem. Ze trad op zevenjarige leeftijd in het klooster van Nijvel bij haar doopmeter, de heilige Geertruid, die haar opvoeding verzorgde. Gudula keerde voorgoed terug naar de plaats waar ze geboren werd en vulde er haar dagen met het plegen van allerhande goede werken. Ze stierf in 712 en werd er begraven. Ongeveer een halve eeuw later werden de stoffelijke overblijfselen van Gudula naar Moorsel en in de 10e eeuw naar Brussel overgebracht, naar de St. Goedele- kathedraal, beter bekend als de St. Michiels- kathedraal.

Hier zie je in de richting van Aalst de gebouwen van het industrieterrein Wijngaardveld op de rechter Denderoever en het zuiveringsstation op de linkeroever, dus voor ons aan de overkant van de Dender. De uitbreiding van het zuiveringsstation moet toelaten de dagelijkse gemiddelde hoeveelheid afvalwater van 100.000 inwoners te zuiveren. Het i.e.(inwonersequivalent) van één persoon is 150 liter afvalwater per dag.
Bovendien is er vanaf eind 1999 eveneens een nutriëntenzuivering (stikstof en fosfaat) voorzien. Om een visuele buffer te vormen tussen het industrieterrein en de landelijke Dendervallei werd een strook van 7,5 m aangeplant met streekeigen bomen en struiken en dit door de plaatselijke scholen. Gelukkig wordt in dit wijdse weidelandschap het open zicht op de graslanden nog niet belemmerd door hoge muren van de maïs.We komen bijna aan de huizen.

We komen bijna aan de huizen. Rechts, tussen een ligusterhaag, geeft een metalen hek toegang tot een verwilderde tuin. Vertuining is een reële bedreiging in een landschappelijk waardevol landbouwgebied. Vaak verschijnen er storende omheiningen in het landschap, worden sierstruiken aangeplant die uitheems zijn en in het slechtse geval verschijnen onrechtmatige bouwwerken.
We komen op de Grote Baan en gaan naar links. Waar verder de baan een brede bocht naar links maakt liggen aan de rechterzijde 2 smalle wegeltjes. We nemen het tweede dat Beekkant heet en langsheen de Moninckhofbosbeek loopt. Het eerste stuk ervan is geasfalteerd.
We zien hier de riolering rechtstreeks in de beek lopen. Door de aanleg van de collector Herdersem-Wieze zal de Moninckhofbosbeek nog niet volledig proper zijn. Na 2003 wordt een tweede collector, de Gudula-collector aangelegd door Herdersem. Via deze verzamelriool zal het afvalwater van de Broekstraat, de Gudstraat, een deel van Pontweg, Kouterbaan, Hammestraat en Grote Baan en de Middenweg van Herdersem, de omgeving Botermelkstraat van Aalst en de omgeving Kattenbroek van Moorsel aansluiten. Dat alles heeft een waarde van 1829 i.e.(inwoners).
Het lange smalle baantje komt uit in de Kouterbaan. De benaming “kouter” verwijst naar de oudste plek grond in een dorp waar akkerbouw plaatsvond. Het is synoniem van bebouwd land, akker, veld. We kiezen hier rechts. Aan het kruispunt ter hoogte van het kapelletje noemt de weg de Broekstraat. We blijven deze straat volgen. In het oud-Nederlands is “broek” synoniem van “moeras”. Het verwijst naar het lage moerasland langs de waterlopen dat als weide voor het vee kon worden gebruikt. We stappen ongeveer 500 m op het voetpad. Links van Broekstraat 59 loopt een baantje het veld in. We kiezen deze weg, de Oudenhofbaan. “Den Ouden Hof” was in de 11e-12e eeuw een oude omwalde hoeve, waarvan in het kadaster nog weinig sporen te vinden zijn. Het “veld” is hier synoniem aan maïsveld. Tijdens de zomermaanden wandel je hier door een corridor van maïshalmen. Maïs is een teelt die zwaar bemest wordt, wat tot opperlakte- en grondwaterverontreiniging kan leiden. De oorspronkelijke aarden baan werd bedekt met recuperatiesteenslag om het comfort van de fietsers te verbeteren. De Oudenhofbaan is immers een deel van de Faluintjes-fietsroute. Om een fietscircuit van ongeveer 50 km door de Faluintjes uit te stippelen werd ervoor gekozen om geen aarden wegen te verharden met asfalt of beton. Een dergelijke drastische verharding is immers een ingreep die in het landschap een barrière creëert, zowel visueel als op biologisch vlak.

We komen op een betonbaan, de Koekeroel en gaan naar rechts tot aan de Pontweg die we links opgaan. De Pontweg was de weg naar het “Pont”, de veerdienst te Baasrode over de Schelde. Te Herdersem was het vroeger kermis in mei. Op dat tijdstip kwamen veel visleurders van Baasrode, Mariekerke en omstreken met meivis die rond die tijd werd gegeten. Dit feit was voldoende om de inwoners van Herdersem de spotnaam“Meiviskop” te geven.
In de volgende bocht draaien we links de Baatmeers in. In de verte kijken we pal op de kerktoren van Herdersem. De vroegere benaming van de Baatmeers nl. “Biesstraat” is een naam die algemeen bekend is in het Vlaamse land en betekent: “een plaats waar biezen groeien”. Deze benaming kan eventueel ook ruimer geïnterpreteerd worden als “slecht weiland”.
Aan de rechterzijde komen we aan een populierenbosje. Canadapopulieren worden meestal rond de leeftijd van 30 jaar gekapt. Een dergelijke korte omlooptijd in de bosbouw is onvoldoende om een bos te laten ontwikkelen met een grote ecologische waarde. Als bij de heraanplanting voor duurzamere en trager groeiende houtsoorten zoals zomereik wordt gekozen kan zich stilaan een waardevolle kruid- en struiklaag ontwikkelen. We dwarsen opnieuw de Moninckhofbosbeek. Een van de bovenarmen van deze beek loopt langs het voormalige Monnikenhofbos en het voormalige Monnikenhof. Deze hoeve vormde vanaf de 13e eeuw de kern van het bezit van de abdij van Affligem te Herdersem. Het monnikenhof was door grachten omgeven. De gebouwen ervan vormden een groot vierkant. Momenteel is er van deze hoeve nog een 16e-eeuws restant in zandsteen te zien in een zijstraatje van de Pontweg, de Monnikenhofweg.
Door de aanleg van de Gudulacollector keren hopelijk de stekelbaarsjes terug die er een paar decennia geleden voor zorgden dat de Moninckhofbosbeek hier toen “viskesbeek” noemde.
Een paar honderd meter voorbij de beek nemen we een baantje naar links. In de hoek tussen de twee banen is een zomereik geplant. De eik is een traaggroeier. Er moet na de aanplanting ettelijke jaren gewacht worden om het volle visuele effect te verkrijgen. De eik, de koning van het woud, kan zonder moeite 500 jaar worden.
Na ongeveer honderd meter draait het wegje naar rechts. Deze buurtweg is nog onverhard waardoor er groeikansen zijn voor tredplanten zoals weegbree en varkensgras. Deze planten zijn zodanig aangepast dat ze opgewassen zijn tegen betreding. Op de akkers zie je akkerkruiden. Zij worden meestal geweerd door het gebruik van herbiciden, hoewel ze een aantal voordelen bieden. Ze doorwortelen de bovenste bodemlaag en maken ze luchtig en toegankelijk voor de neerslag. Bovendien beschermen zij de bodem tegen uitdroging en erosie.

Ter hoogte van het kapelletje dwarsen we de Grote Baan en we stappen in de richting van het rustoord. Aan onze rechterzijde bevindt zich een serrencomplex. Herdersem telt meerdere bloemisten. Ideaal is als zij het hemelwater dat op het dak van hun serres terechtkomt opvangen in een vijver en hergebruiken voor irrigatie. Al te veel hemelwater wordt nog afgeleid naar de collector en legt een zinloze weg af naar het waterzuiveringsstation. Particulieren doen er best aan het hemelwater op te vangen in een regenwaterput en het aan te wenden voor verschillende doelen. De overloop van de regenwaterput wordt best afgeleid naar de beek of naar de bodem. Bij nieuwbouw zijn een gescheiden afwatering van het afvalwater en van het hemelwater en de aanleg van een hemelwaterput trouwens al verplicht.

We komen terug uit in de Alfons De Cockstraat en gaan naar rechts. Waar de baan uitloopt op een T stappen we toch rechtdoor, rechts van de woning met het naambordje “Aartstraat”. Bij vochtig weer volgt men beter de Aartstraat naar links en draait men ietwat verder  rechts de Disgenaatdreef in. Een der betekenissen van het woord “Aart” is kaai, werf, tegen een rivier of een waterloop, waar men goederen lost of verkoopt. Hier was destijds de werf of de haven van de abdij van Affligem, waar de producten van zijn rijke, lokale steengroeven ingescheept werden. We komen terug in het Denderland. Na een halve kilometer komt het baantje uit in de Disgenaatdreef. Deze straatnaam is een dialecte schrijfwijze voor Esschenhoutdreef. We nemen hier rechts. We blijven de Disgenaatdreef volgen en gaan dus niet naar links de brug op richting Gijzegem. Deze “nieuwe” brug over de Dender werd in gebruik genomen in 1972. Aan de voet van de betonnen brug ligt de oude sasbrug. Ze werd opgericht over de Dender aan het sas te Herdersem in 1769 en ze werd verplaatst naar hier als aandenken in april 1976. Ze is de toegangsbrug tot het natuurgebied dat zich uitstrekt tussen de Aartstraat en de Sasbaan en dat over gans zijn lengte doorsneden wordt door de loop van de Oude Dender.
Ietwat verder zien we aan de linker zijde van de Disgenaatdreef deze kronkelende Oude Dender. Door het besluit van 24 maart 1768 werd de Dender in een laatste fase gekanaliseerd tussen Aalst en Dendermonde en werd een sas gebouwd op het grondgebied van Herdersem. We naderen straks de plaats waar het oude sas was.

In de volgende bocht draaien we niet rechtsaf richting Wieze maar we kiezen de Sasbaan, die doodloopt op de Dender. De Oude Dender draait met ons mee. Ter hoogte van de nieuwe, gekanaliseerde Dender krijgen we een mooi zicht op het witte sashuis aan de overkant. Hier was tot 1972 de oude sasbrug in gebruik. Door het verplaatsen ervan naar de eerder genoemde plaats als kunstpatrimonium is de Sasbaan een doodlopende straat geworden.
Het sashuis van Herdersem is een gebouw met een rijke geschiedenis. Door het grote verval van de Dender werden eeuwen geleden op verschillende plaatsen tussen Ath en Dendermonde sassen gebouwd, waarvan één te Herdersem. In 1967 werd het samen met een woning voor de sasmeester opgetrokken. Tegelijk was het een herberg en een afspanning voor postkoetsen. Tot het begin van de jaren ’90 behoorde het huis toe aan de bronsgieter Roland Monteyne.

We gaan links langsheen de gekanaliseerde Dender. We komen in een weidelandschap dat zich mooi landschappelijk inpast tussen de oude en de nieuwe Dender. Knotwilgen in alle formaten vormen opvallende lijn- en puntvormige elementen. Vaak vinden vogels en andere planten een toevluchtsoord in de knot. Als je geluk hebt zitten er meerkoeten op de nieuwe Dender en waterhoentjes op de oude waterloop.Waterhoentjes verlangen immers een kleinere plas.
We stappen onder de betonnen Denderbrug door en vervolgen onze weg op de oever van de Dender. Links krijgen we opnieuw zicht op de meanderende Oude Dender. Het natuurgebied, vele eeuwen geleden gevormd door deze rivier, bevat talrijke potenties voor flora en fauna. Als de weilanden niet meer bemest worden kan de plantengroei zijn soortenrijkdom van weleer terugkrijgen. Het stadsbestuur heeft interesse om een aantal van deze weilanden te kopen met de bedoeling via een aangepast beheer de natuurwaarde ervan aanzienlijk te verhogen.

Ter hoogte van het bedrijf dat handelt in inerte materialen verlaten we de Dender via de asfaltbaan. Na ongeveer honderd meter, waar de asfaltbaan naar links draait, nemen we rechts de Sint-Janstraat. In de weide aan onze rechter zijde loopt weer de collector parallel aan de beek. Tevens is er een overstort dat bij hevige en langdurige regen een deel van het afvalwater -weliswaar verdund- overstort in de beek omdat de collector dan het te grote debiet niet kan bevatten. Overstorten blijven een doorn in het oog van natuurliefhebbers omdat ze blijven zorgen voor een restvervuiling in de beek. Aanleg van een verbeterd overstort dat een tijdelijke opslag van het vuile water voorziet tot de collector het weer kan slikken of de aanleg van een rietveld met een zuiverende werking kunnen een gedeeltelijke oplossing bieden.
In de Meivisstraat is een allegaartje aangeplant van inheemse boomsoorten waaronder vooral linde en Spaanse aak. Je vindt er ook wel zomereik en lijsterbes. We komen uit in de Alfons De Cockstraat, rechtop het rustoord Denderrust en gaan naar rechts. We stappen langs het klooster en de school en naast de woning 8B nemen we het wegje dat ons terug tot aan de kerk leidt.

De historische gegevens werden ontleend aan het boek “Herdersem”, geschreven door Jozef Vermoesen en uitgegeven door het Genootschap voor Aalsterse Geschiedenis in 1977.