Zelden huisverbod voor daders van intrafamiliaal geweld

bloedDaders van intrafamiliaal geweld krijgen zelden tijdelijk huisverbod

In 2013 en 2014 samen kregen slechts 65 daders van intrafamiliaal geweld een tijdelijk huisverbod opgelegd. Dat blijkt uit het antwoord van minister van Justitie Koen Geens (CD&V) op een parlementaire vraag van Kamerlid Sabien Lahaye-Battheu (Open Vld). “Wetende dat de politie jaarlijks 40.000 meldingen krijgt van intrafamiliaal geweld, zijn 65 dossiers in twee jaar tijd peanuts.”

Met de wet van 15 juni 2012 kreeg de procureur des Konings de mogelijkheid om bij intrafamiliaal geweld een tijdelijk huis- en contactverbod op te leggen aan een meerderjarig persoon wiens aanwezigheid een ernstig en onmiddellijk gevaar vormt voor de andere huisgenoten. In sommige arrondissementen wordt de procedure af en toe toegepast (in het bijzonder Doornik, Antwerpen en Kortrijk met respectievelijk 26, 10 en 9 maatregelen), in andere nauwelijks.

“Tijdens de zogenaamde ‘beveiligingsperiode’ kunnen de betrokken partijen zich bezinnen over hun toekomst. Het slachtoffer kan de nodige burgerlijke vorderingen inleiden om tot een definitieve oplossing te komen en een aangepaste hulpverlening krijgen. Met de dader kan een trajectbegeleiding worden opgestart, die hem of haar tot betere inzichten moet brengen, onder ander over de gevolgen van zijn of haar gewelddadig gedrag. De zaak wordt binnen de periode van tien dagen behandeld door de familierechtbank, die de maatregel kan opheffen of verlengen, en eventuele burgerlijke vorderingen behandelen”, legt Lahaye-Battheu uit.

Wet evalueren

Minister Geens heeft oren naar de vraag van het liberale Kamerlid om de nieuwe wet grondig te evalueren. Er zijn immers verschillende oorzaken mogelijk voor het feit dat er zo weinig gebruik wordt gemaakt van het tijdelijk huisverbod.

“Het kan zijn dat de coderingsrichtlijnen voor de inbreng van de gegevens niet steeds even nauwgezet worden gevolgd. De procedure, die op de procedure van de collocatie werd geënt en gepaard gaat met heel wat administratieve verplichtingen, die binnen een heel korte tijdspanne moeten gebeuren, lijkt relatief complex”, leert Lahaye-Battheu uit het antwoord.

“De politie, die na de oproep ter plaatse komt, moet snel een inschatting maken van het veiligheidsrisico en de opportuniteit dat de procureur de maatregel zou opleggen. Ze moet hiervoor kunnen beschikken over een goed instrument, dat momenteel wordt opgesteld. Zijn de middelen en omkadering voor de begeleiding van de slachtoffers, voor maatregelen ten aanzien van de dader en voor de controle op de naleving van het huis- en contactverbod onmiddellijk beschikbaar? Wat gebeurt er bijvoorbeeld wanneer de dader geen alternatieve verblijfplaats kan vinden? Dat is immers geen taak voor de politie.”

Lahaye-Battheu kijkt uit naar de evaluatie van de nieuwe wet, zodat er spoedig maatregelen kunnen worden getroffen voor een betere toepassing van het tijdelijk huisverbod bij intrafamiliaal geweld.

Nationaal veiligheidsplan

Lahaye-Battheu benadrukt tot slot het belang van een blijvende aandacht voor de problematiek van het partnergeweld. “Intrafamiliaal geweld blijft pieken in ons land en moet dus ook in het Nationaal Veiligheidsplan als een prioriteit worden gezien. Zolang we het geweld niet onder controle hebben, kunnen we het ons niet veroorloven om de bal te lossen. Zeker omdat partnergeweld zich niet alleen tussen twee partners afspeelt, maar vaak ook tegen kinderen. Zij dragen dat heel hun leven mee, en hebben later ook een grotere kans om zelf betrokken te raken bij partnergeweld.”

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here