GentBC stelt 'Vitale Steden' voor

In 2005 publiceerden Sas van Rouveroij, Christian Leysen en Sven Gatz, hun eerste, veelbesproken 'Stadslucht Maakt Vrij' boek. In 2007 publiceerden ze een tweede boek over steden en globalisering. Nu is er het derde Stadslucht Maakt Vrij boek: over vitale, innovatieve steden. Op initiatief van GentBC kwamen de drie auteurs samen in de Domzaal van de Gentse Vooruit. Na een inleiding door Johan Albrecht, Universiteit Gent en Itinera Institute, ging journalist Luc Hanegreefs met de auteurs Sven Gatz, Sas van Rouveroij en Christian Leysen in debat. De receptie achteraf was een ideale gelegenheid te netwerken.

Vitale Steden gaat over economie en ondernemerschap, over het aantrekken van bedrijven en talenten. Steden kunnen zich door creatief en vernieuwend beleid onderscheiden. Vitale Steden gaat over logistiek en mobiliteit. Steden moeten zich concentreren op die dingen waar ze het verschil kunnen maken: een kwaliteitsvolle basisinfrastructuur aanbieden, bijvoorbeeld. Vitale Steden gaat ook over architectuur en stedelijke planning. Steden krijgen vorm door de mensen die er wonen en die de stad gebruiken. Slimme stedelijke bestuurders hebben dat door. Vitale Steden bundelt bijdragen over steden en innovatie van wetenschappers, stadsplanners, architecten, ondernemers en beleidsmakers.

Het boek is opgebouwd uit drie delen. Het eerste deel gaat over economie en ondernemerschap. Steden voeren vandaag met elkaar een concurrentieslag, met als inzet het aantrekken van bedrijven en talenten. Die komen het liefst naar steden die goed bereikbaar zijn, waar het leven aangenaam is en waar het sociale en culturele aanbod ruim is. Steden kunnen, wat dat betreft, het verschil maken. Creatief en vernieuwend beleid is niet anders op het niveau van de stad dan op dat van de ondernemingen, meent de Finse filosoof en onderzoeker Pekka Himanen. "Als je kijkt naar wat de succesvolste gemeenschappen karakteriseert, dan blijkt dat een cultuur van creativiteit te zijn. Het fundament is een basis van vertrouwen. Daarbovenop gaat het om een gemeenschap waarin mensen elkaar stimuleren. Dat is de basis voor de derde bouwsteen: de creativiteit zelf". Volgens Himanen functioneren een succesvol bedrijf als Google en een succesvolle stad als Helsinki op precies dezelfde wijze.

Het tweede deel gaat over logistiek en mobiliteit. Stedelijke bestuurders laten zich nogal eens gek maken. Allemaal willen ze zich, net als Bilbao, met een spraakmakend museumgebouw op de kaart zetten. Allemaal willen ze, omdat anderen dat ook doen, grote sportevenementen aantrekken of een geweldig nieuw voetbalstadion bouwen of een megaconcertgebouw optrekken. Steden moeten zich concentreren op die dingen waar ze zelf het verschil maken: er voor zorgen dat ze bewoners en gebruikers een kwaliteitsvolle basisinfrastructuur kunnen aanbieden.

Sommige steden of stadsdelen lijken zichzelf voortdurend opnieuw uit te vinden. Andere lijkt het, eens de neergang zich inzet, nooit meer iets te worden. De Antwerpse Zuidwijk vormt daarvan een goed voorbeeld. Toen de lokale detailhandel niet langer kon concurreren met de groothandelszaken buiten de stad, verpieterde de wijk. Neringdoeners trokken weg, er ontstond leegstand. Niet lang echter, omdat het om een stadsdeel ging met heel degelijke huizen, dat vlot bereikbaar was en niet te ver van het stadscentrum lag. In de kortste keren trokken jonge, minder kapitaalkrachtige, maar ondernemende mensen in de leegstaande panden in. De wijk leefde opnieuw op. Niet dankzij één of andere vorm van stedelijk beleid. Wel omdat de basisinfrastructuur goed zat. Die basisinfrastructuur was er het resultaat van oordeelkundig beleid van een vorige generatie stedelijke bestuurders. Steden kunnen, met andere woorden, het verschil maken.

Het derde deel gaat over architectuur en stedelijke planning. Kenmerkend voor leefbare steden is dat ze ook als urban villages fungeren. Dat wil zeggen dat er wijken zijn die als gemeenschappen functioneren. Wijken die niet, zoals in de hoogdagen van de modernistische stedenbouw, monofunctioneel zijn: waar je alleen komt om te werken, te slapen of te winkelen en die de rest van de tijd dood zijn. Wijken waar je een vermenging hebt van functies: waar je in één straat kleine bedrijfjes vindt, net zoals winkels en cafés, maar waar ook nog gewoon mensen wonen. Waar je die vermenging van functies aantreft, krijg je ook wijken waarmee mensen zich verbonden voelen, waarvoor ze zorg willen dragen en zich inzetten.

Uiteraard kan een stad niet zomaar urban villages maken. Het is vaak makkelijker ze, door onoordeelkundig beleid, kapot te maken. Slordige stedenbouwers kunnen in geen tijd een buurt onleefbaar maken. Als je een winkelstraat onbereikbaar maakt, gaan de winkels dicht en is er ook geen passage meer. Maar ook het omgekeerde geldt: slimme steden kunnen buurten aantrekkelijker proberen te maken. Ze kunnen er bijvoorbeeld op toezien waar ze nieuwe winkelcomplexen, bioscopen of universiteitsgebouwen neerpoten. De wereldberoemde Gentse pionier van de biotechnologie, Marc Van Montagu, beweert dat als de gebouwen van de universiteit zich niet in het stadscentrum hadden bevonden, hij nooit tot de onderzoeksresultaten zou zijn gekomen die hij nu bereikte. In een monofunctioneel wetenschapspark, ergens in de periferie, maak je je, als je er niet moet zijn, snel uit de voeten. Dat is het verschil met de stad. Stedelijk beleid kan dat verschil maken.

Men kan het boek bestellen via VUB press.
Of u kan de heren vragen om een door hen gesigneerd boek op te sturen. Sas van Rouveroij gaf ons volgend emailadres door: E-mail: stephanie.dhose@vlaamsparlement.be

Guido Van Peeterssen

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here