Patiënten vergeten vaak hun medicatie te nemen

yoleen van camp

yoleen van campMaar liefst de helft van patiënten met chronische aandoeningen slaat het gezondheidsadvies van de arts in de wind. Therapieontrouw leidt tot een verlaagde levenskwaliteit, verhoogd ziektecijfer, ziekenhuisopnames, werkverlet, kosten en soms zelfs tot overlijden.

Schrijnend, want de meeste chronische aandoeningen zijn goed te behandelen. Yoleen Van Camp (UAntwerpen) onderzocht in haar doctoraat de omvang van het probleem, en mogelijke manieren om een goede inname van medicatie te ondersteunen. De studie werd uitgevoerd bij dialyse-, diabetes- en hartfalenpatiënten.

“Uit de voorbereidende literatuurstudies en analyses van geclusterde databases bleek dat therapietrouw een complex gedrag is dat kan verhinderd worden door verschillende barrières. Zo kan de ene patiënt bewust medicatie niet innemen omwille van bijwerkingen, en de andere patiënt door vergeetachtigheid dosissen overslaan. Daarom is het weinig zinvol om slechts één interventie voor alle patiënten toe te passen, en zijn meervoudige en geïndividualiseerde interventies nodig”, legt Van Camp (Vakgroep Verpleegkunde en Vroedkunde) uit.

“Wij ontwikkelden een tweeledige aanpak, die enerzijds gericht is op het bijbrengen van de nodige kennis, sociale steun en vaardigheden om therapietrouw te zijn, en anderzijds op de specifieke noden van de patiënt, door middel van geïndividualiseerde begeleiding. We maakten gebruik van een coachingschema om patiënten op te delen naargelang hun mate van therapietrouw, zodat de interventie aangepast kon worden aan de bestaande situatie, problemen en zorgnoden van de patiënt.”

Welke patiënten nemen het slechtst hun medicatie in?

De resultaten van de elektronische meting toonden dat therapietrouw verschilde in de onderzochte populaties. Dialysepatiënten bleken het laagst te scoren: één op drie nam de medicatie niet als voorgeschreven in, meestal (in 70% van de gevallen) door vergeetachtigheid. “Hierbij moeten we wel vermelden dat we in de dialysepopulatie fosfaatbinders onderzochten, medicatie gekend voor ongemakken en bijwerkingen, en in de diabetes- en hartfalenpopulatie ACE-inhibitoren en bètablokkers, die over het algemeen beter verdragen worden. Ongeacht daarvan tonen de resultaten aan dat therapieontrouw een belangrijk probleem is, maar dat het niet veralgemeend mag worden. Verdere studie is nodig om te bepalen welke patiënten en welke medicatie vooral problematisch zijn. Daarbij is er nood aan meetinstrumenten die in de dagelijkse, klinische praktijk inzetbaar zijn, want elektronische monitoring is in de praktijk niet betaalbaar.”

Welke factoren beïnvloeden een goede inname van medicatie?

“Tot op heden werden er maar weinig factoren gevonden. Ook in onze studies werden slechts een beperkt aantal determinanten weerhouden: meer sociale steun had een positieve invloed op therapietrouw in alle settings, en een hogere ziekte-ernst een negatieve invloed in de dialyse- en diabetessetting”, verduidelijkt Van Camp. “Eerdere studies hebben voornamelijk demografische factoren in verband willen brengen met therapietrouw. Het is pas de laatste decennia dat ook psychosociale factoren onderzocht worden, en bepalend blijken voor therapietrouw. Het samenbrengen van alle geïdentificeerde factoren is nodig om een screeningsinstrument op te stellen dat patiënten die risico lopen op therapieontrouw, kan aanduiden. Op die manier kunnen ondersteunende maatregelen op deze risicopatiënten gefocust worden.”

Was onze interventie succesvol om de inname van medicatie te verbeteren?

Aangezien de therapietrouw in de diabetessetting dermate hoog was, moest de studie voortijdig stopgezet worden en kon de ontwikkelde interventie niet in deze populatie bestudeerd worden. De studie in de hartfalensetting loopt nog, daar deze pas vorig jaar werd opgestart. In de doctoraatsstudie van Van Camp kunnen dus voorlopig alleen de resultaten van de interventie in de dialysepopulatie weergeven worden. “Die resultaten zijn hoopgevend. De interventie verbeterde de therapietrouw en bloedwaarden. Toch was er een kern van patiënten – de zogenaamde die hards – die elke maand therapieontrouw bleef, ondanks onze interventies. Toekomstig onderzoek naar de redenen van het succes of het falen van de interventies is gepland.”

Verder onderzoek aangewezen?

“Ons onderzoek werd gevoerd bij patiënten in een vaak vergevorderd stadium van hun aandoening. We zijn ervan overtuigd dat therapietrouw net gevestigd moet worden bij het allereerste voorschrift. Vaak worden er dan overtuigingen, kennis en vaardigheden (of het gebrek eraan) geschept. Onderzoek in de eerste lijn is dus nodig, niet alleen om van bij het begin van de behandeling een totaalbeeld van de omvang van therapieontrouw te krijgen, maar ook om de evolutie over de jaren in kaart te brengen.”

“Onderzoek naar factoren die therapietrouw beïnvloeden, zou ook rekening moeten houden met psychosociale factoren, zoals zelfeffectiviteit, sociale steun of de zorgverlener-patiëntrelatie. Alleen door het vinden van duidelijke factoren kan een degelijk screeningsinstrument ontwikkeld worden, zodat patiënten die waarschijnlijk therapieontrouw zullen zijn, van bij het begin ondersteund kunnen worden”, besluit Van Camp.

1 REACTIE

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here