Romeinen lokten monniksgieren naar Lage Landen

Twee monniksgieren die zijn opgekweekt in dierenpark Planckendael, werden op 1 augustus uitgezet in hun natuurlijke biotoop, de Gorges du Verdon in Zuid-Frankrijk. Tweeduizend jaar geleden ging de reis echter de andere kant uit. De gieren trokken toen meer dan eens vanuit het zuiden naar de Lage Landen. Dat wordt aangetoond door onderzoek van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) en de Vrije Universiteit Amsterdam (VU).
Het archeologisch onderzoek naar de monniksgier is een project van de archeozoölogen Maaike Groot (VU) en Anton Ervynck (VIOE). Ze onderzochten de gierenbotten uit recentelijk opgegraven Romeinse vindplaatsen in Vlaanderen en Nederland. Opvallend is dat de vogel gevonden werd in vijf Romeinse nederzettingen (Oudenburg, Tienen, Tongeren, Tiel en Valkenburg), maar nog nooit is opgedoken in oudere, prehistorische vindplaatsen, en evenmin in jongere, middeleeuwse tot recente sites.

Monniksgieren zijn de grootste vogels in Europa, de vleugeltippen liggen tot 3 meter uit elkaar. Hun verenkleed is grauw, wat aan een monnikspij doet denken. De dieren verkiezen een open terrein: steppe, graslanden en berggebieden. Ze nestelen in bomen of op steile rotsen. Normaal houden ze niet van natte landschappen of van plekken waar veel mensen komen. Met hun zuiderse temperament bezoeken ze dan ook slechts uitzonderlijk de Lage Landen. Sinds 1800 zijn er maar drie meldingen van monniksgieren. Ze zijn nog nooit in België opgedoken, maar wel in Nederland. Het gaat steeds om zwervers, op zoek naar avontuur en vooral naar voedsel. Dergelijk gedrag is ook bekend van een andere soort, de vale gier, die de laatste jaren vanuit de Pyreneeën uitzwermt om bij ons in de krant te komen. De laatste bezoekende monniksgier verbleef in 2005 enkele maanden in de Oostvaardersplassen in Flevoland. Carmen, zoals het dier door natuurliefhebbers en de pers werd gedoopt, werd een echte BN (Bekende Nederlander), tot zij jammerlijk aan haar eind kwam door tegen een trein te vliegen.

De recente sporadische visites tonen aan dat monniksgieren daadwerkelijk in onze contreien kunnen opduiken, maar waarom deden ze dat precies in de Romeinse tijd zo vaak?
Het was toen gemiddeld iets warmer dan daarvoor of daarna. De thermiek kon de zuiderse bezoekers op zweefvlucht tot bij ons brengen. Maar ook in dat geval moeten de passerende monniksgieren een goede reden hebben gehad om voet aan de grond te zetten. De verklaring kan gevonden worden in de aard van de Romeinse samenleving. Net als de onze was dat een echte consumptiemaatschappij, met een grootschalig verbruik en een goed georganiseerde afvalverwerking. Dat is duidelijk te merken aan de resten van omvangrijke stortplaatsen die archeologen vonden rond de dichtbevolkte Romeinse agglomeraties. Daar werd ook flink wat slachtafval gedumpt. Die stapels van grote knoken, vooral van runderen, waar nog resten vlees aan zaten, moeten een festijn geweest zijn voor een monniksgier. De soort is ten slotte een aaseter die leeft van de kadavers van middelgrote tot grote zoogdieren. In de prehistorie en de middeleeuwen verliep de afvalverwerking kleinschaliger en meer verspreid. Dat kan de afwezigheid van de monniksgier buiten de Romeinse tijd verklaren. Tegelijk illustreren de vondsten dat roofvogels en gieren gebruik maken van menselijke afvalproblemen. Op open storten over de hele wereld verblijven grote groepen van vliegende aaseters. Zouden we bij ons ook niet beter een dergelijk systeem van afvaldumping opnieuw invoeren, om zo de monniksgier terug te krijgen?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here