Federaal Voedselagentschap reageert op klacht over trage reactie.

Het VTM journaal van woensdag 9 juli berichtte over het gebruik van frituurvet dat mogelijk besmet zou zijn met BSE risicomateriaal en insinueerde dat het Voedselagentschap te traag zou hebben gereageerd. Het Voedselagentschap wenst dit ten stelligste te ontkennen en kan bovendien niet akkoord gaan met de misleidende informatie verspreid in het nieuwsbericht.

Het Voedselagentschap werd op vrijdag 27 juni, op het einde van de dag, geïnformeerd via een RASFF bericht (snelle Europese waarschuwingssysteem) van het feit dat Zweden naar verschillende Europese landen rundervet en calciumdifosfaat had geëxporteerd en dat Belgische bedrijven deze producten ontvangen hadden. Het RASFF bericht maakte ook melding van het feit dat in deze geëxporteerde producten vet en beenderen verwerkt waren van delen van de wervelkolom van runderen van meer dan 30 maanden oud, wat verboden is. Op zaterdag 28 juni werd contact gelegd met de betrokken operatoren. De tracering werd opgestart op maandag 30 juni en een overlegvergadering met de betrokken lidstaten en de Europese Commissie werd vastgelegd op woensdag 2 juli.

Het werd duidelijk vanaf maandag 30 juni dat op de 6 vrachten afkomstig van Zweden er 3 direct verzonden waren naar Duitsland, de 3 andere vrachten waren geleverd aan 3 Belgische operatoren. Het grootste deel van het calciumdifosfaat was geleverd aan Frankrijk, het overblijvende deel van dit calciumfosfaat was ofwel nog aanwezig op de plaats waar het geleverd was ofwel gebruikt voor meststof voor de tuin. Tijdens de vergadering met de Europese Commissie werd besloten, als enig aanbeveling, de resten van de nog niet verwerkte producten terug te sturen naar Zweden. Ook werd besloten dat op basis van de informatie verstrekt door de Zweedse autoriteiten het niet nodig was extra maatregelen te nemen wat betreft de volksgezondheid.

Niettegenstaande deze aanbeveling heeft het Voedselagentschap, getrouw aan de procedures, beslist om op woensdag 2 juli over te gaan tot een terugtrekking van het betrokken vet uit de handel. Het Agentschap heeft deze beslissing genomen in overweging nemende dat zelfs als het product geen enkel gevaar inhoudt voor de volksgezondheid, het niet in overeenstemming is met de wettelijke voorschriften. Al de documenten en procedures werden nog diezelfde woensdagnamiddag 2 juli voorbereid. Op 3 juli, in de voormiddag, werden de 3 betrokken operatoren alsook de beroepsorganisatie van de vetverwerkers op de hoogte gesteld van de te volgen procedure voor het terugtrekken van de betrokken producten uit de handel. Het betreft hier een procedure waarbij elke betrokken operator er aan gehouden is direct zijn cliënten te verwittigen van het feit dat zij niet conforme producten aangeleverd gekregen hebben en dat zij onmiddellijk moeten overgaan tot het blokkeren van de eventueel nog aanwezige producten en in het geval deze producten verder gecommercialiseerd werden zij op hun beurt hun cliënten moeten verwittigen die dan dezelfde procedure moeten toepassen.

De procedure voorziet eveneens dat elke operator onverwijld het Voedselagentschap moet op de hoogte brengen van de genomen maatregelen, de agenten van het Voedselagentschap gaan dan vervolgens ter plaatse controleren of de opgelegde procedures overeenkomstig werden toegepast. Het Voedselagentschap kan, als zijnde een van de enige instanties als zij al niet de enige instantie in Europa is die maatregelen genomen heeft, deze leugenachtige beschuldigingen en zelfs misleidende informatie, wat betreft het ontbreken van een snelle en efficiënte reactie in verhouding met het gestelde probleem, niet accepteren. Een probleem dat volgens het advies van de experten geen gevaar inhoudt voor de volksgezondheid.

Guido Van Peeterssen

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here