Startbaanovereenkomsten worden opnieuw geëvalueerd.

Het Rekenhof heeft een rapport over de opvolging en evaluatie van het federale jeugdwerkloosheidsbeleid sinds 1999 opgesteld . Dat beleid, dat het sluiten van startbaanovereenkomsten voor één jaar inhoudt, had tot doel jongeren een baan te bieden binnen zes maanden nadat ze de school hadden verlaten. De wet die dat beleid tot stand heeft gebracht is echter herhaaldelijk gewijzigd zodat er te weinig evaluatiemogelijkheden zijn. Als gevolg van dit verslag hebben de ministers van Sociale Zaken en Werk belangrijke engagementen toegezegd. De startbaanovereenkomst (Rosettabanen) is één van de maatregelen tegen de jeugdwerkloosheid. Startbanen zijn belangrijk, gezien de eerste ervaring op de arbeidsmarkt, werk werkloosheid, in belangrijke mate de beroepsloopbaan mee bepaalt. Voor bepaalde doelgroepen werd ook in een vermindering van de werkgeversbij- dragen voorzien. Het Rekenhof heeft de opvolging en evaluatie van dat beleid onderzocht.

De Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid heeft wel een database samengesteld en studies gefinancierd over de werkgelegen- heid bij jongeren, maar niet het verplichte jaarlijks statistisch verslag opgesteld. De overheid heeft dat beleid niet omgezet in doelstellingen, noch in indicatoren waarmee de resultaten ervan kunnen worden gemeten. De jaarlijkse evaluatie door de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) en door de Nationale Arbeidsraad (NAR) kon niet conform de wet worden uitgevoerd. De wetgever had evenmin zicht op de behaalde resultaten toen hij de wetswijzigingen doorvoerde. Tussen de eerste versie, die werkgevers uit de privésector verplichtte elk jaar via een startbaanovereenkomst voor 3 % jonge werknemers in dienst te nemen en de huidige versie, is het dwingende karakter van de wet sterk afgezwakt. De opgelegde verplichtingen aan werkgevers zijn immers geleidelijk afgezwakt. Het is gemakkelijker geworden om het quotum te behalen en de verlaging van de bijdragen is toegenomen.

De opeenvolgende wetswijzigingen hebben de controles beïnvloed die door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) moeten worden uitgevoerd om ervoor te zorgen dat de verplichtingen nageleefd worden. Het Rekenhof heeft vastgesteld dat de controlecampagnes van 2003 niet tot de toepassing hebben geleid van de sancties waarin de wet voorziet. Sinds 2004 wordt de aanwervingsplicht niet echt meer gecontroleerd, zelfs niet bij lastenverlagingen. Bovendien merkt het Rekenhof op dat de Staat de opvolging van de specifieke verplichtingen die de overheidsdiensten moeten nakomen op het vlak van indienstneming van jongeren, niet heeft georganiseerd.

In hun gezamenlijk antwoord benadrukken de minister van Sociale Zaken en de minister van Werk dat ze de aanbevelingen van het Rekenhof delen. Ze verbinden zich ertoe dat de FOD Werkgelegenheid het jaarlijks statistisch verslag en de indicatoren uitwerkt en dat de RSZ regelmatig de lijst met werkgevers bezorgt die volgens de RSZ mogelijk hun verplichting niet nakomen. Ook zullen de ministers onderzoeken of het nodig is de wet op de startbaanovereenkomsten aan te passen. Bij die gelegenheid zal men ook onderzoeken wat de impact is van verlaagde werkgeversbijdragen op de werkgelegenheid bij jongeren en de diverse doelgroepen. Ten slotte verbinden de ministers zich ertoe de andere leden van de regering te wijzen op de noodzaak voor de Staat als werkgever om zijn wettelijke verplichtingen met betrekking tot de startbaanovereenkomst na te leven.

Guido Van Peeterssen

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here