Fonds voor de verkeersveiligheid verdeelt onnauwkeurig

In 2002 heeft de regering zich tot doel gesteld het aantal verkeersslachtoffers met 50 % te verminderen tegen 2010. Het instrument dat voor dit beleid gebruikt wordt is het Fonds voor de Verkeersveiligheid. Dit fonds wordt gefinancierd door de stijgende ontvangsten uit verkeersovertredingen, in totaal 293 miljoen euro tot op heden. Het fonds moet acties financieren die worden uitgevoerd door de politiediensten. Het Rekenhof heeft een audit uitgevoerd van de financiering en de evaluatie van de actieplannen.

Wat de verdeling van de fondsen betreft zegt het Rekenhof dat de reglementering weinig nauwkeurig is en niet altijd correct wordt toegepast. De overschatting van het aandeel van de federale politie en van de FOD Justitie zorgt ervoor dat de 196 lokale politiekorpsen voor de jaren 2005 tot 2007 12 miljoen euro minder inkomsten hebben. Het Rekenhof komt tot de conclusie dat de financiering van de actieplannen onvoldoende gekoppeld is aan de nagestreefde doelstelling, namelijk het verminderen van het aantal verkeersslachtoffers. Omdat de financiering slechts in beperkte mate van de bereikte resultaten afhangt, worden de politiediensten er niet toe aangezet de meest doeltreffende acties te ontplooien.

Wat de evaluatie van de actieplannen betreft, legt de regelgeving een jaarlijkse cyclus op, waarbij de nieuwe actieplannen vergezeld moeten zijn van evaluatieverslagen over de acties van het voorgaande jaar. Bij deze cyclus moet op veel vlakken voorbehoud worden geformuleerd. Het tijdschema werd immers systematisch opgeschoven. De ministers van Binnenlandse Zaken en van Mobiliteit verkeerden nooit in de gelegenheid de financieringsakkoorden met de politiediensten goed te keuren vóór september van het betrokken jaar. Bovendien legt de wet op dat de gerealiseerde acties van het voorgaande jaar en de geplande acties in de nieuwe actieplannen samen worden geëvalueerd binnen een termijn van twee maanden, voor alle politiediensten samen.

Het Rekenhof is van oordeel dat de goedkeuring van een nieuw plan zou moeten worden losgekoppeld van de evaluatie van het plan van het jaar voordien. De nadruk moet komen te liggen op de doelstellingen die elke politiedienst moet halen en niet zozeer op de eventuele controle van de uitgaven. Aldus wordt de idee naar voor geschoven nuttigere informatie te verzamelen om de doeltreffendheid van de acties te evalueren en om een globale evaluatie te maken van de bijdrage van het Fonds voor de Verkeersveiligheid tot de vermindering van het aantal slachtoffers.

In zijn antwoord steunt minister van Binnenlandse Zaken Patrick Dewael
het voorstel van zijn administratie om van verkeersveiligheid een zevende basisfunctionaliteit te maken in de basispolitiezorg aan de bevolking. Dat biedt de politiezones de mogelijkheid structurele fondsen te ontvangen die niet enkel de verkeersveiligheid ten goede zouden komen. In ieder geval lijkt hem een herziening van de wetgeving wenselijk. De minister van Mobiliteit van zijn kant somt de maatregelen op die al genomen zijn om de kwaliteit van de gegevens en de beoordeling te verbeteren. Bovendien acht hij het, in de hypothese dat verkeersveiligheid een zevende basisfunctionaliteit wordt, onontbeerlijk dat de minister van Mobiliteit het gedeelte verkeersveiligheid van het Nationaal Veiligheidsplan zal opstellen. Ook moeten mechanismen worden ingevoerd om het werk van de politiediensten te kunnen afstemmen op de behoeften op het vlak van verkeersveiligheid.

Guido Van Peetersen

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here