Onderzoek van de stads- en huisvestingscontracten 2005-2007

De overheid wil het leef- en woonklimaat in steden en gemeenten met achter- gestelde wijken verbeteren. Het Fonds voor het Grootstedenbeleid werd in het leven geroepen om de levensomstandigheden van de stadsbewoners en meer bepaald de inwoners van probleemwijken, te verbeteren. Het Rekenhof heeft onderzocht hoe doelmatig de federale overheid de grootstedelijke problematiek aanpakt door middel van stads- en huisvestingscontracten. Uit het onderzoek blijkt dat de gesubsidieerde projecten meestal goed aansluiten bij de beleids- doelstellingen. Het beleid is echter niet transparant, in het bijzonder de verdeling van de middelen. Er bestaat een groot risico dat sommige projecten voor huisvesting de lagere inkomensgroepen door middelgrote inkomens verdringen.

De federale overheid sloot stads- en huisvestingscontracten af met 17 steden en gemeenten. Voor de periode 2005-2007 verleende de federale overheid daarvoor 198 miljoen euro subsidies. De steden en gemeenten financierden met die subsidies uit de stadscontracten diverse projecten zoals buurthuizen, het herinrichten van straten en pleinen, parkwachters, taallessen voor nieuwkomers. Met de huisvestingscontracten worden koop- en huurwoningen gebouwd of gerenoveerd voor lage of middelgrote inkomens. Het Rekenhof heeft onderzocht hoe de regering en de minister dat stedenbeleid hebben uitgewerkt, hoe de betrokken administratie functioneert en op welke wijze de steden en gemeenten dit beleid uitvoerden.

Het Rekenhof stelde vast dat de projecten die de steden en gemeenten met de federale subsidies financieren bijna steeds passen binnen de doelstellingen van het grootstedenbeleid. Toch werden belangrijke knelpunten opgespoord. Bij de voorbereiding van het beleid werden enkel die steden en gemeenten betrokken met wie de overheid een contract wou sluiten. De gewesten, die een eigen stedenbeleid voeren, en de verenigingen voor steden en gemeenten werden niet geraadpleegd. De regelgeving is bijzonder beknopt en essentiële elementen zoals de selectie- en verdelingscriteria werden er niet in opgenomen. Het parlement werd beperkt en dikwijls onnauwkeurig geïnformeerd over het beleid en de behaalde resultaten.

De selectie van de steden en gemeenten en de verdeling van de middelen gebeurden ontransparant. Niet alle steden en gemeenten werden met dezelfde criteria beoordeeld en soms werden de criteria niet correct toegepast. Hierdoor gingen de middelen niet altijd naar de steden en gemeenten die er het meeste nood aan hadden. De verantwoordelijkheid voor de coördinatie van de gewestelijke, federale en Europese geldstromen voor (groot)stedenbeleid ligt overwegend bij de steden en gemeenten. De federale overheid schiet op dit vlak tekort.

Een minderheid van de projecten horen eerder thuis in de reguliere werking van een gemeente. Verschillende gemeenten verantwoorden dit door te wijzen op hun moeilijke financiële situatie. Enkele steden en gemeenten leggen ook reguliere uitgaven ten laste van het grootstedenbeleid. Vele steden en gemeenten willen via het aantrekken van middenklassen in achtergestelde buurten een sociale mix creëren. Er wordt daarbij onvoldoende aandacht besteed aan mogelijke neveneffecten zoals prijsstijgingen die de lagere inkomensgroepen uit deze buurten kunnen verdrijven. De raming van 3.000 bijkomende wooneenheden is overschat: een cijfer van 900 is realistischer.

De minister wees in zijn antwoord op het belang van het stedenbeleid. Hij meende dat er voldoende transparantie binnen de regering bestond over het beleid en er gekozen was voor een soepel beleid waarbij overleg met de steden en gemeenten centraal stond. Gezien de politieke toestand na het afsluiten van de audit wenste hij niet te reageren op de aanbevelingen. Meer info op http://www.grootstedenbeleid.be

Guido Van Peeterssen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here