De taalgrens bestaat 50 jaar: een geschiedenis

Aalst (redactie/mas) Deze week is het 50 jaar geleden dat het parlement de taalgrens vastlegde. Dit na een lange periode van taalstrijd. Sinds 1921 was het zo dat het taalregime van een gemeente kon worden aangepast op basis van de resultaten van de tienjaarlijkse talentelling. Zodra een minderheidstaalgroep meer dan 20% (en vanaf 1932, meer dan 30%) van de bevolking uitmaakte konden taalfaciliteiten afgedwongen worden.

De uiteindelijke goedkeuring door de Kamer van Volksvertegenwoordigers kwam er op 31 oktober1962. Deze wet werd gestemd met 130 stemmen voor (waarvan 96 Vlaamse en 34 Franstalige stemmen) en 56 tegen (waarvan 54 Franstalige en 2 liberale Vlaamse stemmen). Daarbij was er een tweespalt binnen de Franstalige socialistische en christendemocratische fracties die op dat moment in de regering zaten: 22 Franstalige socialisten waren voor, 23 tegen; bij de Franstalige christendemocraten waren er 12 pro en 13 contra. De taalgrens zou wettelijk van kracht worden op 1 september 1963.

Een gemeente kon zelfs van taalregime veranderen indien de vroegere minderheidsgroep volgens de telling een meerderheid was geworden. De resultaten van een aantal talentellingen en vooral dan deze van 1947, de laatste die werd gehouden, gaven meermaals aanleiding tot politieke heibel.

Vooral aan Vlaamse zijde werden een aantal resultaten betwist, en de volgende telling die zou doorgaan in de jaren 50 kwam er niet meer nadat een aantal Vlaamse burgemeesters weigerden ze uit te voeren. De evolutie van de cijfers tussen 1930 en 1947 (de telling van1940 ging niet door als gevolg van W.O. II), was voor sommige gemeenten dan ook bepaald opmerkelijk te noemen, zo telde het stadje Edingen in 1930 nog 51% Nederlandstaligen, en in 1947 nog slechts 11%, een verschil dat niet door migratie te verklaren is. Wel is duidelijk dat de ontwikkelingen tijdens de oorlog een grote invloed hadden op de naoorlogse stemming.

In de zes dorpen van de Voerstreek deed zich een vergelijkbaar fenomeen voor, waren er in 1930 nog 81,2% Nederlandstaligen dan was dit aantal in 1947 tot 42,9% geslonken.

Bij de wettelijke vastlegging van de taalgrens werd daarom meteen ook beslist dat de officiële tienjaarlijkse talentelling afgeschaft werd.

Het bepalen van de taalgrens zelf maakte deel uit van de werkzaamheden van het zogenaamde Centrum Harmel dat bij wet opgericht werd in 1948. Binnen de politieke commissie van het centrum kregen twee leden, de Vlaming Jan Verroke en de Waal  Jean Van Crombrugge, elk afzonderlijk de opdracht een kaart uit te tekenen.

De uiteindelijke goedkeuring door de Kamer van Volksvertegenwoordigers kwam er op 31 oktober1962. Deze wet werd gestemd met 130 stemmen voor (waarvan 96 Vlaamse en 34 Franstalige stemmen) en 56 tegen (waarvan 54 Franstalige en 2 liberale Vlaamse stemmen). Daarbij was er een tweespalt binnen de Franstalige socialistische en christendemocratische fracties die op dat moment in de regering zaten: 22 Franstalige socialisten waren voor, 23 tegen; bij de Franstalige christendemocraten waren er 12 pro en 13 contra. De taalgrens zou wettelijk van kracht worden op 1 september 1963.

Sommige gemeenten met een belangrijke anderstalige minderheid (meer dan 30% bij de laatste talentelling) werden faciliteitengemeenten. Deze dorpen en steden bieden de lokale gemeentelijke dienstverlening aan in de minderheidstaal. In veel faciliteitengemeenten wordt ook onderwijs in de minderheidstaal aangeboden. Voor de dienstverlening door de intermediaire en hogere overheden (provincie en Vlaamse overheid) gelden geen taalfaciliteiten.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here