Middeleeuwse milieuzorg bepalend voor kunsthistorisch onderzoek

Ieder jaar krijgt een boom een dunne ring nieuw hout bij. De dikte van zo een jaarring is afhankelijk van meerdere omstandigheden. Extreme droogte en lage temperaturen geven andere effecten dan gunstige temperaturen en voldoende neerslag. Die opeenvolging vormt een uniek patroon dat te vergelijken is met een streepjescode. Bomen die gelijkaardige omstandigheden groeien, vertonen een gelijklopend groeiringpatroon. Daardoor kan men bomen uit een zelfde regio tot op het jaar exact met elkaar vergelijken. Door steeds oudere stukken hout achter elkaar te schikken kan men een kalender samenstellen. Zo bestaan er referentiecurven die tot 8480 v. Chr. terug gaan in de tijd.

Dergelijke referentiecurves laten toe om stukken hout, met ongekende ouderdom, exact te dateren. Daarvoor worden eerst de breedtes van de groeiringen van het ongekende stuk hout opgemeten. Indien een positie wordt gevonden waar het ongekende patroon een sterke overeenkomst mee vertoont is meteen geweten in welk jaar de laatste groeiring van die boom werd gevormd. Deze dateringtechniek draagt de naam dendrochronologie.

Hout afkomstig uit onze middeleeuwse bossen is ondertussen deel geworden van ons cultureel erfgoed. Hout maakt deel uit van archeologische vondsten, historische gebouwen, schilderijen op houten panelen en religieuze sculpturen. Voornamelijk hout van inlandse eiken werd door de middeleeuwse schrijnwerkers en ambachtslui gebruikt. In Vlaanderen leidt dit onderzoek echter dikwijls tot teleurstellende resultaten. Daardoor is het moeilijk om een sluitende datering te bekomen.

Daartoe werden houten voorwerpen van middeleeuwse archeologische sites, voornamelijk in en nabij Ieper, grondig onderzocht. Daaruit blijkt dat de korte reeksen evenzeer gebruikbaar zijn bij de opbouw van chronologieën. Dit onderzoek verschaft echter ook meer informatie over de opbouw en het beheer van het bos waarin het hout werd geoogst. Zodoende wordt er meer informatie gewonnen over het beheer en de structuur van het Vlaamse bosbestand doorheen de eeuwen heen.

Ondertussen is duidelijk geworden dat er vanaf de negende eeuw duchtig handel werd gedreven in hout. De lokale voorziening in kwaliteitsvol hout kwam in het gedrang. Daarom werden veel hout ingevoerd vanuit bosrijke gebieden. Handelsconnecties zorgden voor een aanvoer van overwegend Baltisch eikenhout. Een gedetailleerde studie toont aan dat middeleeuwse schrijnwerkers en beeldsnijders het ingevoerde eikenhout verkozen boven het inlands hout. Ook de gildenreglementen uit de 15de eeuw omvatten richtlijnen voor de beeldsnijders met betrekking tot de vereiste kwaliteit van het hout, die hen bijna verplichtte om zich tot het ingevoerde hout te wenden. Bovendien krijgt met ook een idee van de weg die het hout aflegde vooraleer het werd gebruikt door de middeleeuwse beeldsnijders.

Deze studie van de Universiteit Gent over inlands en geïmporteerd eikenhout in Vlaanderen toont aan dat dendrochronologie meer dan een dateringtechniek is. Daardoor blijkt het extreem nuttig om houtbiologen nauw te betrekken bij het bestuderen van Vlaanderens cultureel erfgoed. Een multidisciplinaire aanpak van dergelijke studies zal ontegensprekelijk een duidelijke meerwaarde geven aan kunsthistorisch onderzoek in Vlaanderen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER