Moeten gezonde wijsheidstanden preventief verwijderd worden, om latere problemen te voorkomen? Of laat je ze best waar ze zijn om ze op te volgen en pas in te grijpen als het nodig is? Het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) bekeek dit dilemma door een wetenschappelijke bril. Er zijn slechts weinig studies gebeurd en ze zijn bovendien zwak van kwaliteit. Maar wat deze studies aantonen is dat het preventief trekken van wijsheidstanden bij adolescenten niet helpt om scheefstand van de voorste tanden te voorkomen. Daarnaast bestaat er niet genoeg betrouwbaar bewijs dat preventieve verwijdering van wijsheidstanden meer voordelen biedt dan ze ongemoeid te laten. Om die reden beveelt het KCE het systematisch trekken van gezonde wijsheidstanden niet aan.

Geen discussie over verwijderen bij pathologieVerstandskiezen, ook wel wijsheidstanden genoemd, breken gewoonlijk door tussen 18 en 24 jaar. Als er tekenen zijn van pathologie, zoals ernstig tandbederf, cystes of herhaaldelijke ontstekingen van de omliggende weefsels, worden ze best verwijderd. Daarover bestaat weinig of geen discussie.

Argument preventieve verwijdering: ingreep wordt complexer naarmate men ouder wordtMaar moeten verstandskiezen bij iedereen preventief verwijderd worden als er geen problemen zijn, of als er een orthodontische behandeling wordt uitgevoerd? Voorstanders voeren aan dat het beter is de tanden te verwijderen op jonge leeftijd, omdat dergelijke ingreep op latere leeftijd complexer wordt. Andere argumenten zijn: voorkomen dat de kiezen tegen andere tanden ‘duwen’, andere verstandskiezen meteen mee verwijderen als er één zieke verstandskies moet worden getrokken, en algemeen, het feit dat verstandskiezen toch geen nut zouden hebben. Voor geen enkel van deze argumenten bestaan er goede wetenschappelijke bewijzen.

Pijnlijke ingreep met risico op infecties en beschadiging van zenuw en aangrenzende tandHet laten trekken van verstandskiezen is nochtans geen pretje. De ingreep veroorzaakt vaak pijn en zwelling. De meest voorkomende complicaties zijn infecties, beschadiging van de zenuw met een tijdelijk of blijvend doof gevoel aan de lip of tong als gevolg, of beschadiging van de aangrenzende tand. Er zijn ook een aantal meer zeldzame, maar wel ernstige complicaties mogelijk, zoals een breuk van de kaak.

Ingreep bij gezonde bevolking om eventuele toekomstige problemen te vermijden?We hebben hier dus te maken met het klassieke dilemma dat telkens bij preventie opduikt. Ga je bij een gezonde bevolking (vrij beperkte) ongemakken en kosten veroorzaken om voor enkelen toekomstig (en mogelijk ernstiger) leed te vermijden? Sommige tandartsen en stomatologen, die voortdurend geconfronteerd worden met zieke verstandskiezen, zijn geneigd om voor deze laatste aanpak te kiezen. Maar wat ze in de dagelijkse praktijk niet te zien krijgen zijn al die mensen bij wie uiteindelijk geen problemen optreden. Is het dan beter om gezonde tanden te laten waar ze zijn, ze op te volgen en pas in te grijpen als het nodig is? Het KCE keek naar de bestaande wetenschappelijk bewijzen om hierover aanbevelingen te formuleren.

Geen wetenschappelijk bewijs om preventief verwijderen aan te bevelen Wetenschappelijk bewijsmateriaal van goede kwaliteit over dit onderwerp is schaars. Toch blijkt het verwijderen van verstandskiezen om te voorkomen dat ze tegen de andere tanden duwen, scheefstand van de voorste tanden niet te kunnen verbeteren of voorkomen. Daarnaast bestaat er onvoldoende bewijs dat het systematisch verwijderen van gezonde verstandskiezen meer voordelen biedt dan ze ongemoeid te laten en verder op te volgen. Om die reden, en op basis van het welbekende principe in de geneeskunde “primum non nocere “ (in de eerste plaats geen schade berokkenen) pleit het KCE ervoor om deze ingreep niet systematisch op gezonde verstandskiezen uit te voeren.

Verder zou een patiëntenbrochure moeten worden opgesteld met duidelijke en evenwichtige informatie over de mogelijke gunstige effecten, risico’s en kosten verbonden aan het preventief verwijderen van gezonde verstandskiezen.

Bron: Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg