In het Centrum voor Volwassenenonderwijs (CVO) in Antwerpen leren anderstaligen Nederlands. Lerares Annemie Piryns geeft vandaag les aan anderstaligen die ingeschreven zijn bij de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB). Vereiste van de deelnemers: basiskennis Nederlands.

Om vijf voor negen zijn bijna alle leerlingen aanwezig. De leerlingen halen hun werkbundels tevoorschijn en praten met elkaar tot aan het begin van de les. Piryns legt aan de leerlingen uit dat ze het over persoonsbeschrijvingen zal hebben. De leerlingen lezen één voor één een zinnetje voor uit de werkbundel.

Plaatjes en beschrijvingen

De leerlingen moeten elkaar beschrijven aan de hand van wat ze de vorige dag geleerd hebben. Wayne, uit Groot-Brittannië, moet zijn ogen sluiten en de leerlingen moeten raden over wie hij het heeft. Hij beschrijft iemand die lang is, met kort en donker haar. Piryns heeft het snel door: hij beschrijft zichzelf. Daarna deelt Piryns enveloppes uit met plaatjes van mensen en kaartjes met persoonsbeschrijvingen. Ze verdeelt de cursisten in groepjes zodat ze samen de juiste combinaties kunnen maken. Javier (27) en Tamara (24), een jong Spaans koppel, vormen samen een groepje. Ze zijn samen naar België gekomen. “We hebben in Spanje gestudeerd, maar we wisten dat we in België meer kansen zouden krijgen om te werken en studeren”, zegt Javier. “Nu leren we Nederlands en werken we allebei.” Piryns komt langs om onze kaartjes na te kijken. Javier en Tamara hebben bijna alle paren juist.

Als alle enveloppen terug op Annemies bureau liggen, begint ze met het volgende onderwerp: de lidwoorden. Twee cursisten lezen enkele woorden voor uit de cursus. Dat gaat best vlot, al blijkt het woord huis, dat telkens huus of haus wordt, een struikelblok. Piryns zegt dat je in een woordenboek kan opzoeken welk lidwoord bij een zelfstandig naamwoord hoort. Als ze vraagt wie er één heeft, blijkt dat niemand een woordenboek in de boekenkast heeft staan.

Alle leerlingen beginnen aan de volgende oefening. Gavin (35) uit Nigeria werkt ijverig mee. Hij is in 2009 naar België verhuisd en woont nu samen met Agusa (22). Zij heeft intussen de Belgische nationaliteit, maar volgt samen met hem de cursus Nederlands. “Agusa komt ook uit Nigeria. Zij is vijf jaar geleden naar België verhuisd met haar familie, zodat zij kon studeren. Ik heb haar in België leren kennen en nu wonen we samen. Ik vind het hier goed en ik mis Nigeria helemaal niet”, zegt Gavin. “Het is alleen moeilijk om te communiceren. Ik ben blij dat ik Nederlands leer, nu zal alles veel vlotter gaan. Ik vind het geen moeilijke taal, want het lijkt op Engels.”

Naar de lerarenkamer

Tijdens de pauze gaat Piryns naar de lerarenkamer. Ze lacht wanneer ze vertelt waarom die in de kelder ligt. “We maakten te veel lawaai, daarom hebben ze de kamer naar hier verhuisd.” Piryns staat nog niet zo lang voor de klas. Vroeger werkte ze bij uitgeverij WPG, maar toen die overgenomen werd door Standaard Uitgeverij werd ze ontslagen. Daarna is ze aan de lerarenopleiding begonnen. “Ik vond deze job vroeger ook al interessant”, zegt ze. “Ik heb zelfs voor mijn ontslag als grap al eens gesolliciteerd op deze functie. Ik vond dit een nuttige en interessante job. En daarbij is het ook leuk, want mijn leerlingen zijn meestal heel gemotiveerd.”

“Sommigen zijn heel snel weg met het Nederlands, maar voor anderen is het echt moeilijk. Normaal zitten er twintig tot vijfentwintig leerlingen in een klas. Dat is best veel, zeker voor beginners. Maar meestal komen er een paar leerlingen niet opdagen, dus dan zijn de groepen een beetje kleiner. Soms komt er na anderhalve week nog iemand bij en voor hen is het soms moeilijk om aan te sluiten bij de rest van de groep. We zien ook al een basis grammatica, omdat je met enkel woorden leren niet veel bent. We beginnen meteen met zinnetjes te leren. De zinsconstructies zijn het moeilijkste, omdat het in hun taal meestal anders is. De gevorderden passen hun leerstof ook in de praktijk toe. Ze gaan naar de markt, of naar het MAS. Met deze groep is dat moeilijk, omdat ze nog te weinig kunnen.”

“We hebben altijd een mix van nationaliteiten, maar ik heb zelf nog nooit problemen gehad met de verschillende culturen in mijn klas, het is eerder inspirerend. Je ziet wel dat mensen van dezelfde afkomst vaak bij elkaar gaan zitten. Dat doen ze vooral omdat ze dezelfde taal spreken. Soms probeer ik dat de doorbreken, zodat bijvoorbeeld niet alle Engelstaligen bij elkaar zitten.”

Piryns legt uit dat de leerlingen zelf kunnen kiezen hoe intensief ze de cursus willen volgen: “Er zijn intensieve groepen die elke dag les hebben. Je kan ook twee of drie keer per week komen, ‘s ochtends of ‘s avonds.”

Samen zingen

De les begint weer en de Portugese Mariana (27) begint te tekenen. De leerlingen zijn nu al enkele uren op school en de verveling slaat toe. Gelukkig hoeft dat niet lang te duren, want de volgende oefening maak je met twee. Mariana en haar Marokkaanse buurvrouw zijn snel klaar. “Ik ben naar hier gekomen met mijn vriend. Hij is ook Portugees en hij kreeg de kans om in Antwerpen te voetballen”, zegt Mariana. “Ik ben nu vier maanden hier en ik ben gelukkig, maar toch zijn veel dingen anders. Ik mis het zonnige weer. Hier is het altijd zo bewolkt en in de winter is het al donker om vier uur.”

Piryns legt uit dat het belangrijk is om de lessen interessant te houden door afwisseling. Als afsluiter zingen de leerlingen samen Hoe heet jij?, een liedje dat speciaal voor anderstaligen gemaakt werd. “Er bestaat veel materiaal voor leerlingen die Nederlands leren, zoals boeken en cd’s. In de bibliotheek kan je alles uitlenen.”

© 2012 – StampMedia – Helena Blyweert