In De Standaard van 28 april jl. trekt Paul Goossens van leer tegen het Europees socialisme dat de laatste jaren, volgens hem, is mee gestapt in het neoliberale discours. Het is een uiterst verfijnde oefening en hij slaagt wonderwel in zijn opzet: pogen het liberalisme af te breken door te doen alsof hij het socialisme bekritiseert. Op beide vlakken maakt Goossens echter een aantal denkfouten die wel vaker te horen zijn in hedendaagse, linkse retoriek. En die vaak voorkomende misconcepties en retorische kunstgrepen verdienen een antwoord.

Ongelijkheid en rechtvaardigheid

De tekst maakt gewag van hét politieke probleem van de wereld: de tegenstelling tussen arm en rijk. En iedereen die daaraan twijfelt moet beoordeeld worden, niet op basis van zijn argumenten, maar op basis van de achterliggende motieven, die uiteraard verfoeilijk moeten zijn. Ongeacht dit intentieproces zijn er, gelukkig, velen die twijfelen. Want ongelijkheid is tegenwoordig een verzamelnaam voor alle sociale problemen en de bestrijding ervan de lokroep voor iedereen die zichzelf rechtvaardig wilt noemen. Bedenkingen rond de achterliggende oorzaken of de complexiteit van dit fenomeen worden achterwege gelaten als neoliberaal gespin, uiteraard ingegeven door egoïstische motieven. En elk probleem wordt, zonder enige logische gevolgtrekking, verbonden aan diezelfde ongelijkheid, inclusief de financiële crisis. Een kritisch persoon is eigenlijk verplicht om te twijfelen bij een dergelijke dogmatische houding.

De vermeende tegenstelling tussen arm en rijk, wat niet hetzelfde is als het fenomeen ongelijkheid, is een oud zeer uit een oude tijd. Het is een onderdeel van het klassieke marxistische verhaal. Mensen die deze ideologie aanhangen kunnen zich troosten met schijnbare wetenschappelijkheid en een moreel superioriteitsgevoel, maar alleen als ze de ogen blijven sluiten voor de theoretische en praktische weerleggingen die vandaag voorhanden zijn. Het marxisme werd reeds theoretisch onderuit gehaald in de negentiende eeuw. En we kennen de resultaten van het veldexperiment uit de twintigste eeuw.

Belangrijker in het betoog van Goossens is de ongelijkheid als summum van de sociale en economische problemen van vandaag. Het lijkt evident om te verklaren dat ongelijkheid een groot probleem is en dat het moet worden aangepakt. Iedereen die het daarmee oneens is, kan makkelijk afgeschoten worden. Niet op basis van argumenten, maar wel, zoals Goossens zelf aanhaalt, door de persoon zelf aan te vallen. Maar als men intellectueel eerlijk genoeg is om de argumenten te bekijken, zou men tot interessante inzichten komen. Want intellectueel links zit op dit vlak vast in een aantal denkfouten. Hun concept van ongelijkheid gaat er blijkbaar van uit dat er een vaste hoeveelheid welvaart aanwezig is in de samenleving en dat het afhangt van een politieke keuze om deze koek al dan niet gelijk (links synoniem voor rechtvaardig) te verdelen. Maar de realiteit leert ons dat welvaart een dynamisch gegeven is. Welvaart wordt gecreëerd door een samenspel van factoren: arbeid, kapitaal, technologie, kennis, enz. En het is nog steeds binnen een vrije marktwerking dat de voorwaarden het meest gunstig zijn door alle actoren vrij te laten om zich toe te spitsen op datgene waar ze het beste in willen zijn. Wie kijkt naar de recente economische geschiedenis kan die vaststelling zelf maken: landen als China, India en Brazilië hebben jaren geleden hun markten geliberaliseerd. Buitenlandse investeerders, technologie en producten vonden hun weg naar de nieuwe markten en daardoor zijn miljoenen mensen uit de armoede getild. En ja, door deze evolutie is de ongelijkheid in deze landen is toegenomen. Maar was het dan beter geweest dat de ganse bevolking arm was gebleven, omwille van de heilige ‘gelijkheid’? In dit concrete voorbeeld is de extreme armoede systematisch teruggedrongen door iedereen de kans te geven om de voordelen te plukken van economische vooruitgang. Ook degenen die niet tot de bovenlaag behoren krijgen meer kansen dan vroeger. Maar dit verloopt op ‘organische wijze’ en dus niet voor iedereen op dezelfde manier. Iedereen die ongelijkheid als voornaamste probleem beschouwt zou deze situatie moeten verfoeien en zal moeten toegeven dat men gelijkheid belangrijker acht dan een afname van de armoede.

Het feit dat linkse retoriek doelbewust gelijkheid vereenzelvigt met rechtvaardigheid is een sofistische handigheid en niet meer dan dat. We kunnen allemaal verontwaardigd zijn over de ongelijkheid in de wereld, maar verontwaardiging alleen maakt geen onrechtvaardigheid. Wil dat dan zeggen dat ongelijkheid van geen enkel belang is om uitspraak te doen over economische situaties? Natuurlijk niet, het kan zeker een beoordelingsfactor zijn. Maar indien men bezorgd is om de armsten op deze planeet dan zoekt men in de eerste plaats naar systemen die hen uit die armoede halen. En de vrije markt is, ondanks haar tekortkomingen, de historische kampioen op dat vlak. Als men daarentegen gelijkheid op materieel vlak nastreeft dan zal men de resultaten van de menselijke drang naar verbetering moeten beknotten. En die strijd zal ten koste gaan van diegene die het meeste nood hebben aan vooruitgang.

Het vermaledijde neoliberalisme

Ondanks de kritiek op verscheidene socialistische kopstukken en partijen is het liberalisme de echte vijand van Goossens. De woordenschat om uitdrukking te geven aan zijn misprijzen is indrukwekkend: ‘neoliberalisme’, ‘marktfundamentalisme’, ‘sloopkogel’, ‘totale oorlog’, ‘harde besparingen’, enzovoort. Het is spijtig dat inhoudelijke argumenten niet even vaak voorkomen in zijn betoog. Een karikatuur maken van de tegenstrever is natuurlijk geruststellender dan ingaan op de inhoud. Ik laat al de afschrikwekkende adjectieven dan ook liever voor de rekening van anderen.

Het gebeurt wel vaker dat men nogal kort door de bocht gaat wanneer het over het economisch liberalisme heeft. Goossens klaagt aan dat men vanaf de jaren ’80 het keynesianisme heeft laten varen, terwijl men daarmee ‘het Westen uit de grote recessie van 1929 had gehaald’. Die uitspraak is zeer kort door de bocht want daarover is geen eensgezindheid binnen de economische wetenschap. Het vooroorlogs beleid heeft op vele vlakken de economische heropleving vertraagd door middel van protectionisme en dirigisme. Men hoeft maar eens de gevolgen te onderzoeken van de ‘Smooth-Hawley Tariff-Act’ die door middel van hoge importtarieven de wereldeconomie in een diepe put duwde. Het alom geprezen overheidsingrijpen had in dit geval desastreuze gevolgen. De bewering dat de keynesiaanse recepten hebben gezorgd voor een bloeiende naoorlogse periode is ook paradoxaal te noemen. De stagflatie van de jaren ’70 is daar een mooi voorbeeld van. Om nog maar te zwijgen over de wilde interpretaties van Keynes die vandaag de ronde doen, iedereen lijkt wel een kenner te zijn op dat vlak. Keynes zou zich kapot schrikken van wat men van zijn theorieën heeft gemaakt.

Overheidsoptreden is geen zaligmakende oplossing. Dat is één van de belangrijke inzichten van het liberalisme. Op moreel vlak kan je je afvragen of de maatschappij wel het recht heeft om mensen te verbieden om vrijwillig transacties met elkaar af te sluiten. En op praktisch vlak werkt overheidsinterventie soms averechts. Onbedoelde gevolgen zijn van groot belang als je een maatregel wilt evalueren. Heel vaak beperkt men zich tot het beoordelen van de intenties achter een voorstel. De beweegreden achter een wettelijk minimumloon bijvoorbeeld is het optrekken van lage lonen. Maar in de praktijk zorgt dit vaak niet voor hogere lonen maar net voor werkloosheid voor de arbeid die aan een lager loon wordt betaald. Maar in linkse middens worden dergelijke analyses geschuwd. Spijtig, want in de realiteit creëert men soms slechtere situaties voor hen die men probeert te helpen. Liberalen willen dus niet bewust opteren voor ongelijkheid of voor negatieve gevolgen, alsof ze de harteloze monsters zijn waarvoor ze soms worden afgeschilderd. Wel wordt er gewezen op de problemen, onbedoelde gevolgen en de alternatieven van marktwerking die ook voordelen opleveren voor niet-rijken. En daarbij gaan ze in tegen degenen die daar een bedreiging voor vormen, ook grote bedrijven die in bed liggen met de overheid om allerlei privileges te bekomen. Wij zitten in niemands kamp, ongeacht alle complottheorieën die de ronde doen.

De grootste misconceptie van vandaag is het geloof dat we in een vrije markteconomie zouden leven. Dit is een bewering die we ook zien doorschemeren in de opinietekst van Paul Goossens. De jaren ’80 worden volgens hem, door het beleid van Reagan en Tatcher, gekenmerkt door een totale aanvaarding van de vrije markt en zowat elke vorm van privatisering en deregulering. Uit de feiten blijkt een genuanceerder verhaal. De VS en het VK zaten tegen het einde van de jaren ’70 in zeer moeilijke papieren. Na enkele decennia van keynesiaans beleid waren hun begrotingen ontspoord en raakte de economie verstikt door overheidsbemoeienis. De gekende recepten (overgoten met een rood sausje) hadden niet het Walhalla tot stand gebracht. De regeerperiodes van Reagan en Tatcher brachten daar verandering in. Maar die periodes betekende geen trendbreuk met het groeiende overheidsbeslag op de economie, hoogstens een tijdelijke stagnatie. Wat de overheid verloor aan privatiseringen maakte ze goed door meer regulering in de latere jaren. Reagan maakt overigens de fout om de belastingen te verlagen zonder de uitgaven onder controle te houden, wat een explosie van de overheidsschuld tot gevolg had. En in de recente geschiedenis zien we dat overheden hun controle op de economie niet opgeven, integendeel. België is koploper in belastingdruk en heeft een overheidsbeslag van meer dan 50% van de economie. Neem daar dan nog eens bij: de enorme hoeveelheid aan regulering van nagenoeg elke sector van de economie – ja, ook de financiële sector! – en de roep om nieuwe wetgeving bij elk akkefietje dat de kranten haalt. Is dat de grote overwinning van het marktfundamentalisme? Om nog maar te zwijgen van de overheidsschuld die wordt doorgeschoven naar de volgende generaties, een gevolg van de staat die tracht elk aspect van de samenleving te controleren en subsidiëren. Is dat rechtvaardig?

De opgang van het socialisme

Goossens argumenteert dat in de voorbije decennia het socialisme, of althans een groot deel ervan, is meegegaan in dat zogenaamde neoliberaal verhaal. Maar zoals al aangehaald is de realiteit complexer dan dat. Toegegeven: de klassenstrijd behoort niet meer tot de grote speerpunten en de roep om nationaliseringen is zeer klein. Dat oude socialisme heeft aan terrein ingeboet. Maar betekent dit een abdicatie van de socialistische principes? We durven daaraan twijfelen. Het socialisme mag dan wel van denkkader veranderd zijn, haar impact laat zich nog steeds voelen. Goossens vermeldt zelf de beruchte ‘Clause IV’ uit het oude Britse Labour-programma, die opriep om van “productie-, distributie- en ruilmiddelen publiek eigendom te maken”. Wel, laten we eens kijken hoever we daarmee staan. Zoals vermeld bedraagt het Belgisch overheidsbeslag meer dan 50%. Dat is meer dan de helft van de gegenereerde welvaart die wordt geïnd. Belastingen (zuiver fiscaal en sociale bijdragen) zijn bij de hoogste ter wereld. En het officiële ‘ruilmiddel’, geld met andere woorden, is in handen van een staatsmonopolie in de vorm van de Europese centrale bank. Dus, meneer Goossens: dat oude doel uit 1917 is al voor meer dan de helft gerealiseerd. Overheden beseffen tegenwoordig dat ze niet hoeven te nationaliseren. Als ze genoeg regels opleggen dan kunnen ze soortgelijke resultaten verkrijgen. Maar ook dat fenomeen stoot vandaag op zijn grenzen.

Dus ook al zijn de oude symbolen verdwenen, het socialisme heeft nog steeds zijn kracht. Het sociaaldemocratische compromis heeft wortels gekregen bij nagenoeg elke politieke partij. De wereld van vandaag wordt immers gekenmerkt door ideologische onduidelijkheid, zeker op het politieke toneel. Partijen durven geen duidelijke keuzes meer maken op dat vlak. En onder invloed daarvan leven we nog steeds in een gemengde economie die opschuift naar meer staatsinterventie. Steeds weer herhaalt men hetzelfde mantra: ‘de vrije markt faalt op dit vlak, dus de overheid moet ingrijpen’. Maar die zinsnede is al zo vaak toegepast dat ze steeds verder van de waarheid komt te staan. Daarin ligt het immer voortschrijdende collectivisme van vandaag: geen grote verklaringen of gedurfde nationalisaties, maar een haast geruisloze voortgang van regulering tot in elke uithoek van de samenleving. De liberale ideologie probeert al decennialang om de gevaren aan te tonen van die evolutie. Als u dat met conservatisme gelijkstelt dan heb ik twee adviezen: lees ten eerste het essay van Friedrich Hayek ‘Why I am not a conservative’ om uw kennis van uw tegenstrevers te vergroten. En sta eens vaker stil bij de reacties van weldenkend links op kritische argumenten, want meestal beperkt men zich tot het angstvallig aanvallen van de boodschapper. We willen hierbij niet veralgemenen, misschien doet u niet mee aan dergelijke reactionaire stemmingmakerij.

Nick Roskams
Ondervoorzitter LVSV Leuven
Bestuurslid European Students For Liberty